vrijdag, 24 juni 2011 00:56

Annotatie bij rechtszaak Paspoortwet

LJN: BQ8032
RECHTBANK LEEUWARDEN
Vonnis d.d. 16-6-2011
zaaknummer: AWB 11/779
(mr. P.G. Wijtsma)

Eiser X vs. de burgemeester van Leeuwarden
Gemachtigden: P.J. Achterhof en H.J. van Zoomeren, beiden werkzaam bij de gemeente Leeuwarden.

Paspoort, vingerafdrukken, biometrische databank, recht op privéleven

Samenvatting

Verweerder heeft de aanvraag van eiser om de afgifte van een reisdocument, in deze een Nederlands paspoort, op grond van artikel 39, eerste lid van de PUN buiten behandeling gesteld, omdat eiser zijn vingerafdrukken niet af heeft willen staan.

Eiser maakte bezwaar tegen de afgifte van vingerafdrukken omdat hij van mening is dat het afstaan van vingerafdrukken een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het respect van zijn privéleven in de zin van artikel 8 EVRM en dat de burgemeester daarom artikel 28a, eerste lid, van de PUN buiten toepassing had moeten laten.

Beslissing/besluit rechtbank
De rechtbank verklaart op 16 juni 2011 het beroep, voor zover gericht tegen besluit A, niet-ontvankelijk en verklaart het beroep, voor zover gericht tegen besluit B, ongegrond.

1 Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2011 heeft de burgemeester de aanvraag van X. om verlenging van de geldigheidsduur van zijn nationaal paspoort buiten behandeling gesteld. Het tegen dit besluit door X. gemaakte bezwaar werd door de burgemeester bij besluit van 14 maart 2011 niet-ontvankelijk verklaard. (hierna: besluit A). Tegen dit besluit heeft X. beroep aangetekend.
Bij besluit van 15 april 2011  heeft de burgemeester besluit A ingetrokken en het bezwaar tegen het besluit van 18 februari 2011 ongegrond verklaard. (hierna: besluit B)
Eiser stelde tegen beide beslissingen beroep in.
De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 9 juni 2011.

De rechter oordeelt dat gesteld noch gebleken is dat eiser nog een rechtens te honoreren belang had bij een beoordeling van besluit A. Het beroep, voor zover gericht tegen besluit A, is daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb heeft de rechtbank het beroep tegen besluit A mede gericht geacht tegen besluit B.

2. Overwegingen

Voor wat betreft besluit B stond allereerst ter beoordeling of de burgemeester door de aanvraag buiten behandeling te stellen, heeft gehandeld in strijd met artikel 8 van het EVRM.

Vervolgens stond ter beoordeling van de beslissing tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag op grond van de Paspoortuitvoeringsregeling (PUN).

Wat betreft de inbreuk op het privéleven, acht verweerder dit gerechtvaardigd omdat deze rechten mogen worden ingeperkt op grond van de openbare orde en veiligheid. Het moeten afgeven van vingerafdrukken zou aan deze doelen voldoen, omdat de openbare orde en veiligheid zouden worden gediend door het creëren van een betrouwbaar aanvraag- en uitgifteproces van reisdocumenten en daarmee het voorkomen van identiteitsfraude bij het aanvragen van de documenten en het gebruik daarvan.

De rechtbank oordeelde dat de inbreuk op het EVRM voldoet aan de voorwaarden welke gesteld zijn door het EVRM om een inbreuk gerechtvaardigd te maken. De inbreuk is bij wet voorzien. De wet is volgens de rechtbank ook toegankelijk en voorzienbaar.
Ook achtte de rechtbank de beperkingen noodzakelijk ervan uitgaande dat de afgifte van vingerafdrukken in het belang is van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Het criterium dat de inmenging proportioneel moet zijn met het te beschermen belang (zie het arrest van het EHRM Berrehab tegen Nederland, A. 10730/84, van 21 juni 1988) achtte de rechtbank ook aan voldaan, omdat de overheid een eigen beoordelingsruimte heeft om dat zelf te bepalen en deze was niet overschreden (3.3).
De rechtbank steunde zijn oordeel namelijk op gegevens van TNO dat look-a-like fraude bij het uitgifteproces als risicofactor moest worden beschouwd, en op gesprekken met de CRI, BVD en de Koninklijke Marechaussee, waarin gesteld werd dat een opeenstapeling van beveiligingskenmerken van documenten een belemmering kan vormen bij de controle ervan.

De letterlijke tekst van deze ‘beoordeling’ is een exacte kopie van de versie vanuit het ministerie van Binnenlandse Zaken, welke een zodanige draai geeft aan de wetsgeschiedenis dat dit in eerste instantie als een plausibele onderbouwing overkomt van een zorgvuldig tot stand gekomen wetgeving. ‘Getuige de wetsgeschiedenis heeft de wetgever zijn oordeel doen steunen op onderzoek door TNO, die een frauderisicoanalyse heeft uitgevoerd en heeft voorts intensief beraad plaatsgevonden met betrokken deskundigen van onder meer de CRI, BVD en de Koninklijke Marechaussee. Uit de frauderisicoanalyse van TNO is onder meer naar voren gekomen dat binnen het oude uitgifteproces look-alike fraude als risicofactor moest worden beschouwd. Dit risico werd mede veroorzaakt doordat gepersonaliseerde documenten in de oude vorm slechts een beperkte bescherming boden tegen misbruik door anderen. Ten aanzien van de gepersonaliseerde documenten zijn enkele risico’s onderkend. Geconstateerd is onder meer dat de opeenstapeling van beveiligingskenmerken een belemmering kan vormen voor de effectiviteit van de controle van de documenten. Uit het beraad met CRI, BVD en de Koninklijke Marechaussee over de beveiligingseisen van de nieuwe generatie reisdocumenten is verder voortgekomen dat hoge eisen aan het aanvraag- en uitgifteproces dienen te worden gesteld, gezien het toenemend belang van de identiteitsvaststellende functie van reisdocumenten in het maatschappelijk verkeer. Het proces van identiteitsvaststelling in het kader van de afgifte, maar ook bij controle, is daarbij essentieel geacht voor het betrouwbaar houden van het Nederlandse reisdocument. In dit licht zou de introductie van biometrie een belangrijke stap vooruit kunnen betekenen’.

3. Beslissing

Omdat de rechter van mening is dat de Paspoortwet geen inbreuk maakt op het EVRM, volgt dat de burgemeester in het gelijk wordt gesteld dat hij, gelet op het dwingendrechtelijke karakter van de paspoortuitvoeringsregeling, de aanvraag buiten behandeling heeft gesteld. Het beroep van eiser wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

4. Conclusie

toegankelijk en voorzienbaar?

Bij de beoordeling dat de wet toegankelijk en voorzienbaar is, gaat de rechtbank voorbij aan het feit dat het onder de Paspoortwet juist niet voorzienbaar is, op welke manier de vingerafdrukken gebruikt kunnen worden voor een ander doel dan waarvoor ze verzameld worden.

Met name is het onduidelijk in hoeverre de vingerafdrukken, al dan niet in combinatie met andere gegevens uit de reisdocumentenadministratie, gebruikt mogen worden voor de identiteitsstelling van verdachten en door veiligheids-en inlichtingendiensten. Zowel in het parlement als bij de rechterlijke macht blijkt daar tot op de dag van vandaag daar geen goed zicht op te bestaan, laat staan dat burgers dat zelf kunnen overzien.

Deze onduidelijkheid blijkt van meet af aan moedwillig te zijn opgeroepen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt zonneklaar dat de toenmalige staatsecretaris enkel toelichting wilde geven over het gebruik van de gegevens NADAT de wet geheel in werking zou zijn getreden. Over het verstrekkingsregime onder de huidige in werking getreden Paspoortwet wordt echter geen open kaart gespeeld. Vragen hierover aan de minister, aan de landsadvocaat, zelfs een officieel WOB verzoek dat Burgerrechtenvereniging Vrijbit hierover indiende, worden met vage en ontwijkende mededelingen over het toekomstige verstrekkingsregime afgedaan.

Ook was het bij de invoering van de Paspoortwet onduidelijk of de Amerikaanse terreurwetgeving (Patriot Act), inzake de vertrouwelijke omgang met de biometrische gegevens van alle staatsburgers die een reisdocument  aanvragen, de contractuele afspraken tussen de fabrikant en de Nederlandse overheid kon overrulen.

Evenmin is voor de burger te achterhalen wat er met zijn of haar biometrische gegevens, die afgegeven moeten worden voor het aanvragen van een paspoort of ID-kaart, waaronder de vingerafdrukken, gebeurt in het kader van onderzoek. Het is niet bekend wie erover kan beschikken noch voor wat voor onderzoek het Franse defensie-securité bedrijf, dat verantwoordelijk is voor het technische gedeelte van het aanvraag en uitgifteproces en de fabricage van de documenten, ze kan inzetten. Hierover is in de wetsgeschiedenis van de Paspoortwet met geen woord gesproken en het parlement noch de burger werden bij de invoering van de wet hier over geïnformeerd.

Het was wel voorzienbaar dat het contract met de fabrikant, kort na invoering van de Paspoortwet zou aflopen. De inhoud van de contractuele nieuwe contracten (voor de komende 11 jaar) inzake het beheren van het aanvraag- en uitgifte proces van de reisdocumenten, de fabricage van de documenten en het doen van onderzoek, wordt zelfs voor het parlement geheim gehouden. Daardoor wordt de burger in het duister gehouden over wat er met zijn of haar gevoelige persoonsgegevens gebeurt of kan gebeuren en is deze informatie niet rechtstreeks en zelfs niet via enige vorm van democratische controle te verkrijgen.
(bron)

Belang van openbare orde en veiligheid

Er valt heel wat af te dingen op de overweging dat het moeten afgeven van vingerafdrukken geen ongerechtvaardigde inbreuk op het privéleven maakt omdat belangen van openbare orde en veiligheid hiermee gediend zouden zijn.
Nog los van andere bezwaren op gebied van de veiligheid, zoals via het hacken van de gegevens uit de databanken of uitlezen door onbevoegden van de RFID-chip in de documenten, is het onbegrijpelijk dat de rechtbank, na het openbaar bekend worden van het falen van de vingerafdruktechnologie in april 2011, durft vast te houden aan de stelling dat de registratie van vingerafdrukken zou bijdragen aan het creëren van een betrouwbaar aanvraag- en uitgifteproces van reisdocumenten. Zeker aangezien de minister zelf de Tweede Kamer al had ingelicht dat in 20 à 25 % van de gevallen de vingerafdrukken in de documenten en database niet overeenkomen met die van de betrokkenen.

 Proportionaliteit

De overweging dat voldaan zou zijn aan het criterium van proportionaliteit baseert de rechtbank op een gemankeerde kopie van de versie inzake de implementatie van de Europese Verordening door het ministerie.

De beoordelingsruimte waarover de rechtbank rept, betreft namelijk niet het beroep tegen de afgifte van vingerafdrukken op grond van het EVRM. De beoordelingsruimte betreft de vrijheid, die de Nederlandse overheid zich meende te kunnen veroorloven, om bij de implementatie van de Europese Verordening, in weerwil van de verplichting tot opslag in de decentrale reisdocumenten voor strikt omschreven gebruik, extra vingerafdrukken op te gaan slaan in de gemeentelijke databanken. Het doel van deze extra opslag van  vingerafdrukken is de identiteitsstelling van verdachten, waarbij de data zodra de wet verder zou worden ingevoerd, worden overgeheveld naar een centrale 24 uurs/7dgs online Staatsdatabank waar ze voor nog veel meer opsporingsdoeleinden gebruikt kunnen gaan worden.

Uit het bovenstaande blijkt dat de rechtbank totaal is voorbij gegaan aan het algemeen overleg van dat de minister met de Tweede Kamer (A.O.27-4-2011) drie maanden eerder en berichtgeving hierover in alle media.
Het vonnis kan dan ook niet anders geduid worden dan een product dat niet gebaseerd is op gedegen onderzoek.
De uit zijn verband gerukte onderbouwing over het proportionaliteitsbeginsel geeft zelfs gerede aanleiding om het goed functioneren van de bestuursrechtspraak in twijfel te trekken.

Zo ziet de burger, die enkel eist dat de overheid zijn of haar fundamentele rechten respecteert, zich namelijk geplaatst tegenover een rechterlijke macht die niet als onafhankelijke derde macht functioneert, maar slechts als verlengstuk van de wetgever.

Een bedroevende zaak die ertoe leidt dat allen die zich in rechte verzetten tegen de in hun ogen onrechtmatige Paspoortwet, bij voorbaat ervan uit moeten gaan dat zij de hele slepende nationale rechtsgang zullen moeten doorlopen zonder dat dit leidt tot een effectieve oplossing, om pas daarna bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens gehoor te vinden.

Publicatie 23-01-2012 door J.M.T.Wijnberg (pedagogisch maatschappelijk werkster) voorzitter van Burgerrechtenvereniging Vrijbit